Door Machiel Swillens
Pianist Jorge Luis Prats staat in de deuropening van zijn ondergrondse solistenkamer. Dadelijk speelt hij Rachmaninovs Derde Pianoconcert met Het Brabants Orkest. Hij vertelt mij een verhaal.
“Arthur Rubinstein en ik waren ooit buren. Buren en vrienden. Dat was in Parijs. Op een dag musiceerden we samen. Rubinstein speelde de solo, ik begeleidde hem op een tweede piano. Rubinstein was 86 jaar oud, maar zijn spel was zó perfect… Toen Rubinstein de kamer even verliet, liep ik naar zijn vleugel en probeerde een paar tonen. Een schok. Het verschil tussen zijn geluid en het mijne. Geloof me, ik kon een maand niet spelen.”
Na het concert rijden wij met de orkestbus naar huis. Buiten is het donker. Ik lees de biografie van Rachmaninov. Daarin staat een ander verhaal.
In de avond van 15 maart 1897 ging Rachmaninovs Eerste Symfonie in première. De jonge componist kon zich er niet toe brengen de zaal binnen te gaan. Hij verstopte zich op de trap die naar het balkon leidde. Tijdens het concert drukte hij meermaals zijn vuisten tegen zijn oren. Hoe was het mogelijk dat deze klanken die hem martelden zijn werk waren. Uiteindelijk vluchtte hij de straat op, dwaalde uren rond in de kou, een antwoord vond hij niet. Drie lange jaren componeerde hij niets.
Nu draaien deze twee verhalen, elkaar spiegelend, rondjes in mijn hoofd.











Met zo weinig woorden zulke veelzeggende beelden geschetst . . . plus ideeën om nog lang over na te blijven denken, net als de twee bovenstaande verhalen die rond draaien in de gedachten van deze begaafde schrijver. Een parabel met veel lagen, een cadeau om het hier tegen te komen – en het smaakt naar meer, veel meer.